De verboden vleespotten
Waarom het neo-fascistische Vlaams Blok populisme nodig heeft

VUB-onderzoekers Jo Buelens en Kris Deschouwer publiceerden een interessante studie over het Vlaams Blok onder de titel 'De verboden vleespotten'. Ze hadden daarbij toegang tot verslagen van partijvergaderingen.

De resultaten van het onderzoek onderbouwen verder de stellingen die Blokbuster en LSP reeds jaren naar voor brengt. Daarom is het interessant op een aantal resultaten in te gaan en deze politiek te kaderen, iets wat de onderzoekers zelf niet gedaan hebben. Zij hielden het op een bondige weergave van feiten. Een weergave die wel nuttig is voor anti-fascisten.

Beperkt lidmaatschap

Wij hebben steeds gezegd dat het Vlaams Blok een neo-fascistische partij is omdat deze partij niet in staat is om zoals de klassieke fascistische partijen in de jaren '20 en '30 een massa-basis te mobiliseren en die massale basis in te zetten, bijvoorbeeld bij geweld tegen andersdenkenden. De beperkte mobilisatiekracht op straat is één van de grootste beperkingen van het Vlaams Blok. Het geeft aan dat de partij er enerzijds in slaagt veel kiezers te bereiken, maar dit anderzijds niet kan omzetten in een verbreding van de groep die bereid is op straat het gevecht, letterlijk, aan te gaan.

Buelens en Deschouwer onderzochten de ledenaantallen van het Blok op grondige wijze. Ze publiceren een regionale opsplitsing van de ledenaantallen in 1988. Daarbij blijkt ongeveer de helft van de toenmalige 2.463 leden uit de provincie Antwerpen te komen (727 in Antwerpen, 225 in Mechelen en 101 in Turnhout). Bij die kern van een goeie tweeduizend leden ondervindt het Blok echter moeilijkheden om hun leden te behouden. Dat blijkt uit de cijfers van effectief betalende leden in 1988, wat een totaal van 1.838 mensen omvat of 75% van het lidmaatschap. Bovendien blijkt de partij zelf weinig gegevens te hebben over de eigen leden en is er een grote turn-over (leden die een jaar lid zijn, maar dit lidmaatschap niet hernieuwen).

De beperkte actieve basis van het Blok wordt helemaal duidelijk als Buelens en Deschouwer de "organisatiegraad" van de verschillende partijen vergelijken. Met organisatiegraad bedoelen ze de verhouding tussen het aantal kiezers en het aantal leden. Bij de verkiezingen van 1999 was de situatie als volgt:

CVP SP VLD VU Vlaams Blok Agalev
Leden 105.939 78.616 75.780 15.500 12.427 4.281
Stemmen 875.455 593.372 888.861 345.576 613.399 434.449
Organisatiegraad 12,10% 13,25% 8,53% 4,49% 2,03% 0,99%

Ook het cijfer van de organisatiegraad in 1999 werd opgesplitst per kiesdistrict. Het Blok haalt daarbij "hoge" scores in Mechelen-Turnhout (3,06%), Antwerpen (2,57%), Aalst-Oudenaarde (2,55%) en Brugge (2,25%). De slechtste scores zijn er in Leuven (438 leden voor 36.021 stemmen of 1,22%) en Gent (882 leden voor 56.447 stemmen of 1,56%).

Dit zijn interessante cijfers omdat duidelijk wordt hoe het Blok er inderdaad niet in slaagt om de brede steun bij verkiezingen om te zetten in een groter lidmaatschap, een lidmaatschap waarvan de partij bovendien weinig gegevens heeft. Slechts 2% van de kiezers zijn lid van de partij. 98% stemt dus wel op het Blok, maar is er geen lid van en niet actief betrokken. Enkel de groene partij Agalev doet het nog sterker, daar is 99,1% van de kiezers geen lid van de partij... Wat meteen ook een verklaring is waarom de groenen zoveel sneller naar rechts kunnen opschuiven dan de SP (nu sp.a).

Waar de studie van Buelens en Deschouwer niet op wijst, is dat van de Blok-leden in 1999 er nu ongeveer 6% een verkozen mandaat uitoefent (736 parlementsleden, raadsleden, OCMW-raadsleden,...).

Het is alleszins duidelijk dat het Blok wel over een massaal kiespubliek beschikt, maar er niet in slaagt om dit om te zetten in een brede actieve basis. Een actieve basis die lid is van de partij en bovendien ook actief is bij het Blok (van ongeveer de helft van de leden wist de partij in 1999 de leeftijd niet).


Populisme als methode

De lage organisatiegraad bij het Vlaams Blok maakt dat de partij bijzonder voorzichtig moet omspringen met het grote kiezerspubliek. Dit komt tot uiting in de strikte partij-organisatie, maar ook bijvoorbeeld uit het feit dat het Blok enorm veel geld besteedt aan externe propaganda. In 2001 gaf de partij 80,6 miljoen BEF uit aan propaganda terwijl geen enkele regeringspartij meer dan 10 miljoen uitgaf. In 1997 en 1998 gaf de partij meer uit dan alle andere traditionele partijen samen!

In haar werking moet het Blok bovendien een enorme voorzichtigheid aan de dag leggen. De VUB-onderzoekers halen een discussie op de partijraad aan over een initiatief van een aantal Antwerpse Blok-verkozenen om voor te stellen dat in Antwerpen een straat naar SS-kopman Ward Hermans zou genoemd worden. Ze citeren het verslag: "X. Buisseret wijst erop dat ook Borms, Verschaeve e.d. niet 'zuiver' waren, en vraagt sarcastisch of er nu ook een lijstje gaat komen van wie we nog kunnen huldigen. F. Dewinter stelt dat we in Antwerpen 90.000 kiezers hebben, en dat die mensen niet gediend zijn met krantenkoppen zoals 'Vlaams Blok wil straat noemen naar stichter SS Vlaanderen" (partijraad van 13.9.1997). Ze voegen er aan toe dat Bart Laeremans in deze discussie stelde dat historische figuren moeten blijven geëerd worden, maar dat dit best binnen de eigen beweging gebeurt. Het Blok beseft met andere woorden dat haar kiezers geen overtuigde fascisten zijn en dat het eren van fascistische figuren uit het verleden het best "intern" gebeurt.

De keerzijde van die vaststelling is dat naar buiten uit moet ingespeeld worden op populaire thema's. Bedoeling daarbij is volgens Dewinter het positioneren van het Blok als de "enige oppositiepartij, de partij anders dan anderen, de partij die het opneemt tegen het politiek establishment."

Dit is een typisch element van wat wij omschrijven als het gebruik maken van een populistische methode. Het gebruiken van slogans die "goed in de markt liggen" om het Blok te profileren als anders dan de anderen. Dat is de methode die ook Fortuyn bijvoorbeeld hanteerde in Nederland. Het verschil met Fortuyn is echter dat dit populisme bij Fortuyn het enige element van zijn politieke strategie was. Het Vlaams Blok daarentegen is er zich van bewust dat het vandaag gelet op de lage organisatiegraad gedwongen wordt een populistische methode te gebruiken om haar enorme kiezersaantallen niet af te schrikken, terwijl het anderzijds poogt een sterker partijkader op te bouwen om te kunnen een klassiek fascistische politiek voeren. Met klassiek fascistische politiek bedoelen we het voeren van straatgeweld om haar ideeën op te leggen, het mobiliseren van een massa-aanhang om op straat een heerschappij af te dwingen.


Conclusie

De studie van Buelens en Deschouwer biedt interessant materiaal waarin onze positie bevestigd wordt. Voor anti-fascisten moet het duidelijk zijn dat dit geen loutere vaststelling mag zijn, maar een basis voor de discussies over een te volgen strategie tegen het Vlaams Blok. Wij stellen dat het nodig is om te bouwen aan een linkse oppositie tegen het huidige rechtse beleid, een oppositie die door concrete campagnes bewijst dat zij de echte anti-establishment kracht wil vormen. Een oppositie die zich niet beperkt tot het voeren van pure propaganda, maar die door agitatie in de wijken, bedrijven, scholen,... doorheen strijd het vertrouwen van bredere lagen kan winnen om zo te bouwen aan een actief verzet. Een actief verzet dat meteen komaf zou kunnen maken met de passieve electorale steun voor het Blok. Daarnaast blijft het noodzakelijk om ons te organiseren tegen iedere poging van het Vlaams Blok om op straat andersdenkenden te intimideren door geweld bij betogingen, acties of debatten. Daarom zullen we bijvoorbeeld op 27 februari in Leuven betogen tegen een optocht van de NSV, de studentengroep van het Blok.

Dat is de strijd die Blokbuster en de LSP voeren. Help ons daarbij, sluit aan en bouw mee aan een echte anti-establishmentkracht, een actief verzet tegen het huidig beleid!


Geert Cool